Ik weet niet hoe het er bij u aan toe gaat, maar ik vind die tien-minutengesprekken met de insegnanti op de plaatselijke school hoogst enerverend. Ik ben er altijd dagenlang danig van uit mijn evenwicht.
Bij elke positieve noot zwel ik tot tranens toe van trots, om bij de onvermijdelijke kritiekpunten onmiddellijk weg te zakken in het drijfzand van moederlijk zelfverwijt. Oók tot tranens toe. Zo word ik tien eindeloze minuten lang heen en weer geslingerd tussen euforie en wanhoop, en heb na afloop een borrel nodig en een brede schouder om op uit te huilen.
Gelukkig ben ik aangaande mijn oudste zoon al wat gewend en werd over hem deze keer een mild oordeel uitgesproken. 'Hij leest zó goed.' Ja, dacht ik zelfgenoegzaam, dat weet ik. 'Maar zijn aandacht laat nog wel erg te wensen over, het lijkt wel of hij zich verveelt.' Ja, dat haalt je de koekoek, dacht ik. Ik kwam dus redelijk ongeschonden weg.
De klap viel bij mijn dochter, die sinds eind september de eerste klas bevolkt. 'Als haar iets wordt gevraagd, is ze altijd eerst even stil voordat ze antwoord geeft. Misschien heeft ze een taalprobleem. Wat spreekt u thuis met haar?' Nou, ik Nederlands, uiteraard. De juf (die een uitgesproken Napolitaans accent bezit, maar dat terzijde) zweeg eventjes veelbetekenend en sprak toen: 'Maar we zijn hier natuurlijk in Italië.'
Ik leg het haar later misschien nog wel eens uit. Mijn dochter heeft geen taalprobleem, maar een gezond wantrouwen tegenover grote mensen die in een te kleine wereld leven.
Bij elke positieve noot zwel ik tot tranens toe van trots, om bij de onvermijdelijke kritiekpunten onmiddellijk weg te zakken in het drijfzand van moederlijk zelfverwijt. Oók tot tranens toe. Zo word ik tien eindeloze minuten lang heen en weer geslingerd tussen euforie en wanhoop, en heb na afloop een borrel nodig en een brede schouder om op uit te huilen.
Gelukkig ben ik aangaande mijn oudste zoon al wat gewend en werd over hem deze keer een mild oordeel uitgesproken. 'Hij leest zó goed.' Ja, dacht ik zelfgenoegzaam, dat weet ik. 'Maar zijn aandacht laat nog wel erg te wensen over, het lijkt wel of hij zich verveelt.' Ja, dat haalt je de koekoek, dacht ik. Ik kwam dus redelijk ongeschonden weg.
De klap viel bij mijn dochter, die sinds eind september de eerste klas bevolkt. 'Als haar iets wordt gevraagd, is ze altijd eerst even stil voordat ze antwoord geeft. Misschien heeft ze een taalprobleem. Wat spreekt u thuis met haar?' Nou, ik Nederlands, uiteraard. De juf (die een uitgesproken Napolitaans accent bezit, maar dat terzijde) zweeg eventjes veelbetekenend en sprak toen: 'Maar we zijn hier natuurlijk in Italië.'
Ik leg het haar later misschien nog wel eens uit. Mijn dochter heeft geen taalprobleem, maar een gezond wantrouwen tegenover grote mensen die in een te kleine wereld leven.




