Ons huis.
Dat oude boerenhuis waar we zo lang met zo veel inspanning aan hebben verbeterd en verbouwd. Het groeide om ons heen naarmate we het vulden met kinderen, die nooit een ander thuis hebben gekend. Het veilige, gastvrije, aardse huis dat onze spreekwoordelijke burcht was. Het is niet meer van ons.
Het zucht, het steunt, het lijdt. Bij elke aardschok loopt het nieuwe barsten en littekens op. Bij elke beving brokkelt het verder af. Het kan ons niet meer bergen, het stoot ons uit. De kamers zijn ons al bijna vreemd geworden.
De Povlakte blijkt een onherbergzaam oord. We wachten nog af, maar de tijd kan komen dat we onder ogen moeten zien dat dit geen plaats is voor burchten. Dan starten we de woonwagen en trekken de wijde wereld in.
Alleen jammer dat de wijde wereld zo nauw lijkt, tegenwoordig.

Het zucht, het steunt, het lijdt. Bij elke aardschok loopt het nieuwe barsten en littekens op. Bij elke beving brokkelt het verder af. Het kan ons niet meer bergen, het stoot ons uit. De kamers zijn ons al bijna vreemd geworden.
De Povlakte blijkt een onherbergzaam oord. We wachten nog af, maar de tijd kan komen dat we onder ogen moeten zien dat dit geen plaats is voor burchten. Dan starten we de woonwagen en trekken de wijde wereld in.
Alleen jammer dat de wijde wereld zo nauw lijkt, tegenwoordig.